Algemeen . Nieuws . Brieven Mak . Archief
Jakarta, 22 januari 2005
Lieve allemaal, Toen ik net terugkwam van een bezoek aan de vrouwengevangenis zag ik allemaal mensen en kinderen uit de moskee komen met zakjes rundvlees. Gisteren was het Idul Adha, het belangrijkste feest van de islamieten. Het is de dag waarop ze herdenken dat Ibrahim bereid was zijn zoon Ismaël (niet Isaak dus) te offeren aan God. Overal stonden de laatste weken stieren en bokken te koop, broodmagere beesten waar je in Nederland de dierenbescherming op af zou sturen. Vanaf gisteren mochten ze geslacht worden. Veel mensen kopen samen met hun buren en vrienden een bokje (a 70 euro, een maandloon hier!), laten het dier in de moskee slachten en delen het vlees met elkaar. Maar aan de armsten wordt ook gedacht: mensen kunnen een coupon krijgen en die dan inleveren bij de moskee voor een gratis zakje rundvlees. Ik zou niemand aanraden om geitenvlees te eten. Vlakbij Jakarta is gekke geitenziekte geconstateerd.
Pak Agus, onze chauffeur, heeft geen Idul Adha gevierd, net zomin als de andere mensen uit kampong Pulo, de plek waar hij woont en waar ook Setia staat. In de nacht van dinsdag op woensdag heeft het zo geregend dat zijn huis is ondergelopen. Om vier uur 's morgens ontdekte hij dat er 15 cm water onder zijn bed stond. Samen met zijn zoon Afandi heeft hij toen de televisie en de koelkast op een verhoging gezet. En om half zeven is hij gewoon op zijn brommer naar ons huis gekomen. Een paar uur later werd hij opgebeld door zijn dochter: er stond nu anderhalve meter water in huis. Zijn vrouw en kinderen zaten op het dak en konden geen kant meer op, want het huis was aan alle kanten omringd door water. Het was nog een geluk dat hij zijn mobieltje thuis had laten liggen, anders hadden ze hem niet eens kunnen bereiken. Hij is meteen naar huis gegaan en heeft geprobeerd te redden wat er nog te redden viel. Toen we hem 's avonds belden om te vragen hoe het was, antwoordde hij lachend: 'Goed!'
Echt Indonesisch, een ander niet in verlegenheid brengen met je eigen ellende. Na enig trekken kregen we de waarheid eruit. Al het eten was nat geworden, de 15 kilo rijst die er nog in de zak zat was niet meer te gebruiken. De matrassen van de kinderen waren doorweekt. Hij had op het dak van zijn huis een 'tent' gebouwd, en daar zouden ze die nacht slapen. Met z'n allen op het grote matras, dat eigenlijk ook nat was. Ze hadden die avond toch maar van de rijst gegeten en hij had zijn drie kippen geslacht om er wat bij te hebben.
Het water dat het huis binnengedrongen was, is regenwater uit de bergen, vermengd met rioolwater uit de kampong. Smerig dus. Het stinkt ook verschrikkelijk, en je krijgt er vreselijke jeuk van. Heel ongezond. Pak Agus kan zwemmen, en als er wat moest gebeuren, zwom hij dus van zijn huis naar een drooggelegen gedeelte. Maar zijn vrouw en kinderen kunnen niet zwemmen, en zaten dus echt vast op het dak. Inmiddels is het water weer gezakt ('en ik was verbaasd,' zei Agus, 'er zat niet eens een slang in ons huis! Bij onze buren was vorig jaar een heel gevaarlijke slang naar binnengespoeld!'), en met het geld dat wij hem hebben gegeven, heeft hij andere matrassen en nieuwe rijst etc gekocht.
Het plastic laat hij om de matrassen heenzitten, zodat ze niet weer nat kunnen worden. 'O, tijdens het regenseizoen?' zei ik. .
'Nee, dat plastic moet er altijd om blijven zitten.'
Dus dat wordt flink zweten voor de kinderen. Ik hoorde nu vanmorgen dat het grote matras ook voor een deel natgeworden was, en behoorlijk stonk, maar dat dat wel weer over zou gaan als het droog is...
Dit is natuurlijk gewoon maar ellende in het klein, meer hinderlijk dan gevaarlijk. Niet te vergelijken met de ramp in Atjeh. Maar het is wel de realiteit waar enorm veel Indonesiërs elk regenseizoen weer mee geconfronteerd worden. Een nacht flink wat regen, en je huisje loopt onder. En ineens heb je gewoon geen eten meer, en zijn die paar kostbare bezittingen waar je jaren voor gespaard hebt, waardeloos geworden.
Op de school van de jongens wordt veel aandacht besteed aan de ramp van 26 december. De kinderen zijn er ook vol van. De Nis wil een school in Atjeh gaan adopteren en de komende jaren steunen. Ook in de kerk wordt er veel aan gedaan. Er zijn meteen mensen naar het gebied vertrokken om te kijken wat de kerk zou kunnen doen. Ze gaan met vrijwilligers naar de kampen om daar met de kinderen te spelen en met de volwassenen te praten, en hebben toegezegd in elk geval 1000 prefab huizen neer te zetten. (Dat doen ze ook hier in Jakarta, er is zelfs een speciaal team voor. Dat zijn huizen die je in twee dagen kunt bouwen). Verder is er volgende week een speciale gebeds- en vastenweek.
Voor Dick is het lesgeven weer begonnen. Hij heeft de komende tien weken gelukkig een iets minder zwaar programma, zodat hij weer meer tijd heeft om aan het produceren van lesmateriaal te besteden. Ook gaat hij in februari ruim een week naar Boma in Irian Jaya (waar we drie jaar gewoond hebben), om daar les te geven en vergaderingen bij te wonen. (de theologische school in Boma is nu ook een Setia-school geworden).
Ik ben heel hard aan het schrijven, maar ik geloof dat ik dat elke keer schrijf, dus daar zal ik het verder niet over hebben. Komende dinsdag ga ik met Reina Griffioen naar de vuilnisbelt, knutselen met de kinderen die daar naar school gaan. Die kinderen leven dag in dag uit in de stinkende troep, en moeten ook vaak hun ouders meehelpen met het sorteren van dingen (plastic zakken, plastic bekertjes, hout, papier...) Ze vinden het heel leuk om iets moois te maken, iets dat speciaal voor hen is. Iets waardoor ze even de werkelijkheid kunnen ontvluchten.
Nou, dat was weer ons dagelijks leven in Jakarta!
Hartelijke groeten en veel liefs van ons allemaal,
Dick en Corien,
Richard, Justin, Lennart en Joël.